Interne stukken van het Ministerie van Financiën, openbaar gemaakt na Wob- en Woo-verzoeken, en de vastgestelde feiten in de procedure laten zien hoe de constructie is ontstaan. Eind 2013 bracht een kort geding over de aanbestedingsplicht de Belastingdienst ertoe de hertaxaties binnen het eigen ministerie onder te brengen.

De optelsom: wie een BPM-aangifte doet op basis van een taxatierapport, wordt gecontroleerd door de partij die de naheffing oplegt, volgens werkinstructies die de Belastingdienst zelf heeft opgesteld. Stichting ROTA en een bij ROTA aangesloten taxatiebureau hebben elk een klacht lopen bij de Europese Commissie (DG TAXUD). In beide dossiers wordt de Commissie bijgewerkt met de conclusie en de onderliggende stukken.

2013: een kort geding en een oplossing binnen het eigen ministerie

Tot 1 december 2013 liet de Belastingdienst de hertaxaties uitvoeren door twee marktpartijen, CED en Dekra. Een derde bedrijf wilde dat werk ook doen, bood zich in 2008 aan en kreeg niets.

Op 1 november 2013 dagvaardde dat bedrijf de Staat in kort geding en vorderde een verbod op hertaxaties door marktpartijen, omdat die opdracht nooit Europees was aanbesteed. Wat er daarna gebeurde, staat in het vonnis van de rechtbank Den Haag van 16 augustus 2023 (r.o. 3.3). In een brief van 25 november 2013 liet de Belastingdienst de advocaat van dat bedrijf weten “uit eigen beweging over te gaan tot het inwilligen van de vordering in kort geding”. Het kort geding werd daarop ingetrokken.

Vijf dagen later, op 1 december 2013, begon DRZ met de hertaxaties. Op 1 april 2014 legden de Belastingdienst en DRZ hun afspraken vast in het Convenant Belastingen en Dienst Roerende Zaken.

Volgens Stichting ROTA blijkt uit een interne notitie aan de staatssecretaris van 20 november 2013 dat de keuze voor DRZ bewust is gemaakt om het kort geding van tafel te krijgen, en dat in diezelfde notitie al een verdedigingslijn werd klaargelegd voor het moment dat iemand de onafhankelijkheid van DRZ aan de belastingrechter zou voorleggen. Wij hebben die notitie zelf niet kunnen inzien en geven dit daarom weer als de lezing van Stichting ROTA. De feiten die de rechtbank heeft vastgesteld, staan hierboven en spreken op zichzelf al duidelijke taal.

2014: het convenant en de instructies aan DRZ

Het convenant is een document tussen twee onderdelen van hetzelfde ministerie, ondertekend door de directeur DRZ en de algemeen directeur Belastingen. Het staat hieronder als PDF, want wij hosten het Wob-besluit waarin het is vrijgegeven zelf. De kern:

  • Artikel 1, eerste lid. De opdracht aan DRZ: vaststellen of de aangegeven waarde in de BPM-aangifte juist is, en bij significante afwijking een nieuwe waarde vaststellen met ambtshalve correctie, of een bedrijfscontrole starten.
  • Artikel 1, tweede lid. Een jaarlijkse lumpsum, vastgesteld op basis van 2.000 hertaxaties per jaar.
  • Artikel 1, vierde lid. De doorlooptijd van verzoek tot taxatie bedraagt maximaal vijftien werkdagen.
  • Artikel 2, onderdeel g. De taxatierapportage wordt aangepast “zodat er geen andere logo's dan die van DRZ zichtbaar zijn”.
  • Artikel 3. Belastingen vergoedt jaarlijks €1.164.700, geïndexeerd volgens de Handleiding Overheidstarieven 2014. Dat is ongeveer €582 per hertaxatie.
  • Bijlage. 13,5 fte en €60.000 per jaar aan softwarelicenties.

De opdracht is dus geen waardebepaling maar controle en correctie. De hertaxateur stelt de nieuwe waarde vast die de inspecteur naheft. Eerlijk is eerlijk: de betaling is een vast jaarbedrag en niet een bedrag per afgekeurd rapport, dus een financiële prikkel om af te keuren is bij DRZ niet aan de orde.

Vanaf juli 2016 werkt DRZ volgens een Afsprakendocument BPM, een groeidocument met instructies van de Belastingdienst. Daarin staat onder meer dat de handelsinkoopwaarde wordt bepaald op een berekend gemiddelde van referentievoertuigen met handelsmarge, met de aantekening “Dus NIET op basis van de koerslijst”, dat er geen ATP-tabel wordt gebruikt voor gebruikssporen naar leeftijd en kilometerstand, en dat DRZ alle dossiers behandelt, ook incomplete.

De aangever is aan een andere methode gebonden dan zijn controleur. Bij een taxatierapport wordt de taxatiewaarde bepaald door de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat te verminderen met de geraamde herstelkosten, waarbij de taxateur die handelsinkoopwaarde ontleent aan de koerslijstwaarde van een gelijksoortige, in Nederland geregistreerde auto. De Hoge Raad heeft die werkwijze op 7 maart 2025 uitdrukkelijk aanvaard: de taxateur had de handelsinkoopwaarde “gesteld op de koerslijstwaarde van een gelijksoortige gebruikte personenauto die in Nederland in nieuwstaat is geregistreerd (de zogenoemde referentieauto)”, en de Hoge Raad nam aan dat die taxateur als onafhankelijk en erkend deskundige met alle waardedrukkende en waardeverhogende factoren rekening heeft gehouden. De hertaxateur van de inspecteur werkt volgens een andere methode, die de inspecteur zelf heeft opgeschreven, en die de koerslijst juist uitsluit.

Eén instructie springt er daarnaast uit. Als er geen vergelijkbaar voertuig te vinden is, mag volgens het document van 4 juli 2016 een “fantoom voertuig” worden gebruikt: een ander merk, maar vergelijkbaar type en uitvoering. Dat wringt met de wettelijke eisen die aan de aangever worden gesteld. Bijlage I bij de Uitvoeringsregeling BPM omschrijft een referentievoertuig namelijk als een voertuig waarvan het model, de leeftijd, de kilometerstand en andere algemene kenmerken vergelijkbaar zijn met het getaxeerde voertuig. Een ander merk past daar moeilijk in.

2026: de Staat wint door te erkennen wat DRZ is

Het taxatiebedrijf verloor bij de rechtbank Den Haag (16 augustus 2023) en bij het hof Den Haag (15 juli 2025) en ging in cassatie. Op 23 oktober 2026 nam advocaat-generaal Drijber zijn conclusie, gepubliceerd op 29 oktober. Hij adviseert de Hoge Raad het beroep te verwerpen. Een arrest wordt in 2027 verwacht.

De redenering is eenvoudig. Aanbestedingsregels gelden alleen voor een overheidsopdracht, en dat vereist een in rechte afdwingbare overeenkomst tussen twee juridisch onderscheiden partijen. De Belastingdienst en DRZ zijn allebei onzelfstandige onderdelen van het Ministerie van Financiën, in dezelfde hiërarchische keten, en handelen in naam van dezelfde bewindspersoon. Het convenant is daarom geen overeenkomst maar inbesteding.

Drie passages zijn voor de BPM-praktijk van belang.

De hertaxaties in kwestie worden in opdracht van de Belastingdienst uitgevoerd door een dienst die juridisch niet van de Belastingdienst is te onderscheiden. (nr. 1.2)

Over de aard van het werk, in nr. 4.13: belastingheffing is uitoefening van openbaar gezag en daarmee een niet-economische dienst van algemeen belang. “Dat er ten behoeve van de belastingheffing mogelijk ook werkzaamheden moeten worden verricht die op zichzelf door een marktpartij kunnen worden verricht (zoals taxaties uitvoeren), wijzigt daaraan niets.”

Over de verhouding tussen beide diensten, in nr. 5.14: “Er is in dit geval geen rechtens relevant onderscheid tussen deze twee diensten.” En in nr. 5.22: DRZ “onderscheidt zich op essentiële punten nu juist wel van marktpartijen, namelijk dat het een onderdeel is van het Ministerie van Financiën, en (dus) geen eigen rechtspersoonlijkheid heeft”.

Opvallend is nr. 5.21. Het bedrijf had betoogd dat de Staat met een truc de aanbestedingsplicht ontweek door het werk bij een andere dienst van hetzelfde ministerie onder te brengen. De A-G wijst dat af: het is niet in feitelijke instanties aangevoerd, en hij ziet niet in dat van een truc sprake zou zijn, want inbesteden mag altijd. Voor de aanbestedingsvraag maakt dat inderdaad geen verschil. Voor de vraag wat een DRZ-rapport waard is als bewijs tegen een aangever, maakt het alles uit.

Lees de conclusie van de A-G → Parket bij de Hoge Raad · 23-10-2026 · ECLI:NL:PHR:2026:1011 · zaaknr. 25/03748

De Staat heeft in dertien jaar twee verhalen verteld over dezelfde dienst. In 2014 werd DRZ gepresenteerd als overheidsorgaan dat neutraliteit biedt en het aantal procedures zou verminderen. In 2026 is DRZ niet te onderscheiden van de inspecteur en onderdeel van de heffing. Beide verhalen dienen hetzelfde doel: het rapport van de Belastingdienst laten prevaleren boven dat van de aangever.

Wat dit betekent voor de aangever met een taxatierapport

Een DRZ-hertaxatie is een partijtaxatie van de inspecteur. Dat is de gevolgtrekking van Stichting ROTA, en die rust op wat de Staat zelf bij de Hoge Raad heeft verdedigd en wat de advocaat-generaal onderschrijft. Een rapport van de heffende partij kan geen onafhankelijke toets zijn van het rapport van de aangever.

Dat heeft gevolgen voor de bewijsweging. De BPM valt onder het Unierecht. Artikel 110 VWEU verbiedt een heffing op ingevoerde voertuigen die hoger is dan de restbelasting in gelijksoortige binnenlandse voertuigen (HvJ EU, zaak C-437/12; zaak C-76/14, Manea). Het Hof van Justitie eist dat de aangever dat effectief kan bewijzen, en effectief betekent dat tegenbewijs niet op voorhand wordt overstemd door een waardebepaling van de inspecteur zelf. Daarbij komt artikel 47 van het EU-Handvest: een eerlijk proces met gelijke wapens. Een rechter die het rapport van de heffende dienst zonder eigen inhoudelijke toetsing boven een onafhankelijk rapport stelt, geeft de aangever geen effectief tegenbewijsrecht.

Voor de praktijk betekent dit:

  • In bezwaar en beroep hoort de status van een DRZ-rapport aan de orde te komen: het is het standpunt van de inspecteur, geen deskundigenbericht.
  • De instructies waarmee DRZ werkt, zoals het fantoomvoertuig van een ander merk, horen te worden getoetst aan de eisen die de wet aan een taxatierapport stelt en aan artikel 110 VWEU, en niet andersom.
  • De rechter dient zelfstandig te beoordelen welke waarde recht doet aan de Europese norm, in plaats van te kiezen tussen twee rapporten waarvan er één van de wederpartij is.

Een onafhankelijke taxateur die werkt volgens de wettelijke methode en zijn referenties ontleent aan daadwerkelijk in Nederland geregistreerde, gelijksoortige voertuigen, levert het bewijs dat artikel 110 VWEU verlangt.

Pilot Taxatie en de melding bij DG TAXUD

De Belastingdienst voert sinds 2026 de Pilot Taxatie (PTX) uit, een controleprogramma gericht op BPM-aangiften met een taxatierapport. Wij schreven daar eerder over in het artikel over het Woo-verzoek naar de Pilot Taxatie. Wie de hertaxaties binnen PTX verricht, volgens welke instructies, en of daarbij een private partij wordt ingezet die resultaatafhankelijk wordt betaald, is niet openbaar.

Het convenant uit 2014 maakt dat verzoek urgenter: artikel 4, derde lid, bepaalt dat de afspraken met DRZ worden bijgesteld bij een aanpassing van de controle- of behandelstrategie van de Belastingdienst. PTX is zo'n aanpassing. De vraag is dus of PTX draait op dezelfde constructie, met dezelfde instructies, of dat een nieuwe partij is ingeschakeld onder nieuwe voorwaarden.

De conclusie van de A-G en de stukken uit 2013 en 2014 worden voorgelegd aan de Europese Commissie, directoraat-generaal Belastingen en Douane-unie, als aanvulling op twee lopende klachten over de Nederlandse uitvoering van artikel 110 VWEU bij de BPM en over de blokkade van de tenaamstelling bij aangiften met een taxatierapport. De kern van die aanvulling: de controle op taxatierapporten wordt uitgevoerd door een dienst die juridisch samenvalt met de heffende instantie, die constructie ontstond nadat een kort geding over de aanbesteding was aangekondigd, en met PTX wordt deze controle geïntensiveerd zonder dat de aangever weet wie hem controleert en op welke grondslag.

Wat wij hier niet beweren

Dit artikel zegt niet dat DRZ-taxateurs hun werk slecht doen of dat er een financiële prikkel bestaat om rapporten af te keuren. Die prikkel is er niet: de vergoeding is een vast jaarbedrag en geen bedrag per afkeuring.

De advocaat-generaal heeft bovendien een aanbestedingsvraag beantwoord, geen vraag over bewijswaarde. Dat uit zijn conclusie volgt dat een DRZ-rapport een partijtaxatie is, is de gevolgtrekking van Stichting ROTA en van ons, niet het oordeel van de A-G. En het arrest van de Hoge Raad moet nog komen.

Is uw taxatie afgewezen na een hertaxatie?

Stuur ons de hertaxatie en uw eigen rapport. Wij kijken of de gehanteerde referentievoertuigen de toets kunnen doorstaan en of uw rapport inhoudelijk overeind blijft. Met uw toestemming melden wij uw ervaring geanonimiseerd bij Stichting ROTA.

Leg uw dossier aan ons voor →

Zelf lezen

Alles in dit artikel komt uit openbare stukken. Wij hosten ze hier zelf:

Conclusie A-G · 23 oktober 2026 ECLI:NL:PHR:2026:1011 · zaaknr. 25/03748

De volledige conclusie van A-G Drijber, met de nummers 1.2, 4.13, 5.14, 5.21 en 5.22 waaruit in dit artikel wordt geciteerd.

Download de conclusie (PDF) →
Wob-besluit · 20 mei 2022 Kenmerk JAK 22/39 · 60 pagina's

Het convenant Belastingdienst-DRZ uit 2014 en het Afsprakendocument BPM met de instructies, waaronder het fantoomvoertuig.

Download het Wob-besluit (PDF) →

Bronnen: conclusie A-G B.J. Drijber van 23 oktober 2026, ECLI:NL:PHR:2026:1011 (PDF), nrs. 1.2, 2.3, 2.4, 4.13, 5.14, 5.21 en 5.22; Hof Den Haag 15 juli 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2255; Rb. Den Haag 16 augustus 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:12379, r.o. 3.1 tot en met 3.4; Wob-besluit Belastingdienst / Domeinen Roerende Zaken van 20 mei 2022, kenmerk JAK 22/39 (PDF) met het convenant van 1 april 2014 en het Afsprakendocument BPM; HR 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:310, r.o. 2.2 en 3.3.1; artikel 8 en Bijlage I Uitvoeringsregeling BPM 1992; HvJ EU zaak C-437/12 en zaak C-76/14 (Manea); artikel 110 VWEU en artikel 47 EU-Handvest. De lezing van de interne notitie van 20 november 2013 is ontleend aan Stichting ROTA; dat stuk hebben wij zelf niet ingezien.

Leitex Autotaxatie & Expertise
Leiden · werkgebied heel Nederland
info@leitex.nl · +31 6 16 75 05 18 · www.leitex.nl · KvK 97001813

Een Leitex-taxatie wordt opgesteld conform artikel 110 VWEU en de geldende wet- en regelgeving. Leitex blijft als onafhankelijk, ROTA-erkend taxatiebureau buiten bezwaar- en beroepsprocedures: wij leveren de feitelijke onderbouwing, het juridische traject verzorgt mr. R. Lammers (Recht Zeker). De Woo-verzoeken en de klachten bij de Europese Commissie zijn een zelfstandig initiatief van Stichting ROTA. De illustratie is een spotprent en geen weergave van een werkelijke situatie.